In deze module wordt ingegaan op wat een werkplek aantrekkelijk maakt. Ook veiligheid komt daarbij aan de orde. De onderlinge samenwerking is ook van groot belang. Hoe houdt u uw leerlingen gemotiveerd? En ook: hoe creëert u de de juiste leermogelijkheden? Stuk voor stuk zaken om aan te denken wanneer u een leerling op gaat leiden.
Zowel de praktijkopleider als de leerling hebben belang bij een duidelijk beeld van hoe het leren op de werkplek eruit ziet. Er zijn onderwijsinstellingen die met een leerling een persoonlijk ontwikkelplan (POP) maken. Dit plan bevat onder andere in informatie over hoe de specifieke bpv-periode er uit ziet.
Denk eens na over o.a. de volgende punten:
• Welk soort taken (werkzaamheden) zijn nu met name geschikt voor het begin van de bpv-periode?
• Zou de leerling bij één bepaalde afdeling moeten horen of zou het beter voor hem zijn om te rouleren?
• Zou de leerling er baat bij hebben om samen te werken met een andere leerling, die al wat verder in zijn opleiding is?
• Zou de leerling moeten samenwerken met één bepaalde collega (werknemer) of juist met meerdere?
• Enzovoorts.
Na elke periode die de leerling op school heeft doorgebracht heeft hij nieuwe vaardigheden en kennis opgedaan. U kunt erover nadenken hoe de leerling deze kan toepassen gedurende zijn bpv-periode. Tenslotte geldt “oefening baart kunst”. Voor een leerling betekent dit, dat dingen vaak herhaald zullen moeten worden, om ze onder de knie te krijgen. Het is van groot belang dat de leerling een goed begrip heeft van hetgeen waar hij aan werkt.
Ook moet hij weten wat hij kan leren van de verschillende taken. De verschillende taken moeten zo aangeboden worden dat de leerling er mee om weet te gaan: dus niet te makkelijk en niet te moeilijk! Het leren op de werkplek vindt plaats gedurende het dagelijkse werk dat uw bedrijf uitvoert (het primaire belang) en verschillende werknemers zullen met de leerling optrekken. Vaak zullen dit vakvolwassen mensen zijn. Dit kan voor u en uw collega’s best een uitdaging zijn!
Uitdagingen op het gebied van leren op de werkplek
Praktijkopleiders die voornamelijk aan het werk zijn als vakvolwassen werknemer en specialist op hun werkterrein, moeten gevoel hebben bij het niveau (van vaardigheden) van een leerling. Ze zullen de leerling passende uitdagingen aan moeten bieden, waarbij ze zichzelf de volgende vragen kunnen stellen:
• Wat kan de leerling al?
• Wat moet hij leren?
• Wat vindt de leerling gemakkelijk en wat juist moeilijk?
• Wanneer en hoe krijgt hij instructies als het gaat om procedures, gebruik van gereedschappen, etc.
• Wanneer heeft de leerling hulp nodig?
• Op welk moment zou de leerling een taak zelfstandig moeten kunnen uitvoeren?
• Hoe kunnen de prestaties van de leerling geëvalueerd worden?
Leerplek en werkplek
Belangrijk is dat het leerbedrijf voldoende zicht heeft op de kwalificatie, leerdoelen en te ontwikkelen competenties om na te gaan welke randvoorwaarden nodig zijn voor het inrichten van een leerplek en werkplek.
Voorwaarden leer- en werkplek
De hoofdvoorwaarde is dat alle opleidingsdoelen die in de POP van de leerling beschreven staan op de leerplek dan wel werkplek te behalen zijn. Er zijn een aantal algemene randvoorwaarden voor het inrichten van een leerwerkomgeving. Aan de slag gaan met leren en opleiden op de werkplek vergt daarom een goed doordacht plan of ontwerp. Enkele van de volgende randvoorwaarden zijn echter alleen van toepassing bij bedrijven die hun werkzaamheden in werkplaatsen uitvoeren.
Randvoorwaarden leerplek:
• De leerling moet (indien mogelijk) een eigen leerplek hebben (plaats in het bedrijf waar de leerling kan werken, overleggen, oefenen, etc.)
• Voor het leren op de leerplek moeten er voldoende leerplekfaciliteiten aanwezig zijn.
Randvoorwaarden werkplek:
• De leerwerkomgeving daagt uit tot activiteit. De leerling moet iets met het eerder geleerde of de aangeboden leerstof doen: het moet hem tot denken aanzetten.
• De leerling leert door volwaardig deel te nemen aan arbeidsprocessen als aankomend beroepsbeoefenaar.
• De activiteiten weerspiegelen de werkelijkheid van het vak en bieden ruimte voor contacten met professionele beroepsbeoefenaren.
• Het deelnemen en leren van een leerling wordt aangestuurd door de leervragen die hij heeft geformuleerd en door het bijbehorende Persoonlijk ontwikkelingsplan.
De leeromgeving bij leren op de werkplek
Een goede leeromgeving is van groot belang voor de ontwikkeling van de leerling evenals voor het gevoel van welbevinden (ik ben de juiste man op de juiste werkplek). Er zijn meerdere factoren die van belang zijn wanneer u een goed leerklimaat in uw leerbedrijf wilt creëren.
U kunt het binnen het leerbedrijf hebben over de volgende zaken:
• Zijn er bedrijfsonderdelen die op dit moment “goed opleiden” uitdragen?
• Zijn er onderdelen die ontwikkeld moeten worden om het opleiden te verbeteren?
En denk ook eens aan:
• Is er ruimte voor diversiteit (zowel werkgerelateerde als sociale)?
• Helpen wij elkaar of houdt iedereen zich toch vooral bezig met zijn eigen werk?
• Is het “toegestaan” om fouten te maken?
• Leert u zelf van uw eigen fouten?
• Wordt het geaccepteerd wanneer er om hulp gevraagd wordt, wanneer er iets is waar iemand niet uitkomt?
• Is er ruimte voor nieuwe ideeën, bijvoorbeeld een suggestie van een leerling om iets anders aan te pakken?
Download hier een overzicht van kenmerken van een BPV-plaats.
1.2. Een positieve werksfeer?
Een goede werksfeer is meer dan veilige en plezierige fysieke omstandigheden. Het omvat ook een positieve “psycho-sociale werkomgeving”. Steeds meer bedrijven investeren in hun werksfeer om zo hun medewerkers te behouden en hun leerlingen! In Denemarken bijvoorbeeld zijn bedrijven verplicht om hun bedrijf elke drie jaar te laten evalueren voor wat betreft het welzijn van hun medewerkers. Het Deens Nationaal Onderzoeks Centrum voor de Werk Omgeving (NFA) heeft een aantal onderzoeken verricht. Het NFA publiceert meerdere enquêtes in het Engels die gebaseerd zijn op wetenschappelijke resultaten en welke internationaal erkend worden.
Bedrijfsbeleid
Het psychosociale werkklimaat zou deel uit moeten maken van het bedrijfsbeleid. Lees meer over het bedrijfsbeleid in module 7.
1.3. De zes goudklompjes
Evaluatie van de psychosociale werkomgeving is gebaseerd op de zogenaamde “zes goudklompjes” (aldus het NFA). Deze aanpak is onderstaand toegepast op het welzijn van de leerling in de leerwerkomgeving.
Eisen die het werk stelt
Dit heeft te maken met zaken als werktempo en werklast, het halen van “deadlines” maar ook met emotionele en sociale eisen. Deze zijn met name relevant wanneer u onder druk moet presteren. Deze zijn tevens een behoorlijke belasting voor leerlingen!
1. Invloed op het werk
Dit heeft te maken met wie u samenwerkt en hoe het werk gedaan moet worden. Als u invloed heeft, zult u zich verantwoordelijk voelen en u actief opstellen. Wanneer de leerling betrokken wordt bij het besluitvormingsproces zal deze zich meer gemotiveerd voelen.
2. Werk moet betekenisvol zijn
Dit heeft te maken met de relatie tussen de werkzaamheden (taken van de individuele werknemer en het geheel van taken dat uitgevoerd moeten worden. Een leerling heeft nu eenmaal niet hetzelfde perspectief als een ervaren vakvolwassene. Een leerling kan de context van zijn taken soms moeilijker begrijpen.
3. Sociale steun op het werk
Dit gaat over het krijgen van hulp en feedback van zowel het management als collega’s, wanneer de leerling dit nodig heeft. Een leerling zou zich veilig moeten voelen wanneer hij hulp vraagt en deze hulp ook moeten krijgen. De leerling moet zich een deel van het geheel (het collectief) voelen.
4. Voorspelbaarheid van het werk
Dit gaat om het vooraf informatie krijgen (geven) over belangrijke gebeurtenissen zodat onzekerheid vermeden wordt. Een leerling moet weten wat er gaat gebeuren, zodat hij zich op z’n gemak voelt.
5. Waardering voor het werk
Dit gaat over salaris, carrière, erkenning en het prijzen van de leerling. Leerlingen zullen zich goed voelen wanneer hun inspanningen onderkend worden.
1.4. De wensen van de leerling
Er is veel onderzoek gedaan naar wat ervoor zorgt dat een leerling zich goed voelt op zijn leerwerkplek. Hier vindt u een extract van een Deens onderzoek (2001, Niels Ulrik Sørensen, Universiteit van Roskilde).
Beroepsmatige ontwikkeling
Veel leerlingen willen echt heel graag leren. Ze willen graag uitdagende taken want routinematige taken worden ervaren als een stagnatie in hun beroepsmatige ontwikkeling.
De mogelijkheid om zelfstandig te werken
Veel leerlingen willen graag hun eigen stempel drukken op het werk en bijdragen aan het “maken van het verschil”. Zij kunnen moeilijk overweg met starre, sterk hiërarchische structuren.
Individuele training/begeleiding
De leerlingen stellen prijs op één en dezelfde persoon die hen begeleid. Ze zoeken de dialoog gebaseerd op hun (leer)behoefte gedurende de bpv-periode. Ze willen graag gezien worden als individu en niet slechts als noodzakelijk deel van team.
Zichtbaarheid
De leerlingen stellen het op prijs wanneer de leerbedrijven zich open en betrokken opstellen als het gaat om hun behoeften en wensen. Zij willen ook graag zichtbaar zijn, zowel voor collega’s als voor klanten.
Respect
Leerlingen hebben de indruk dat ze het laagst staan op de hiërarchische ladder. Maar net zo goed als andere werknemers willen ze graag respect en erkenning.
1.5. Welzijn / welbevinden
Een goed werkklimaat is doorslaggevend voor het feit of leerlingen zich al dan niet “thuis voelen” in het bedrijf. Als een leerling zich niet goed voelt op de plek waar hij terecht gekomen is, is er een grote kans dat de leerling de opleiding niet af zal maken. En welbevinden heeft vaak te maken met je erkent en welkom voelen. Daarom is het belangrijk een positief werkklimaat te creëren vanaf de allereerste werkdag. Wát we zeggen en hóe we het zeggen spelen allebei een belangrijke rol. Dit moet je als praktijkopleider goed onthouden.
Hoe kan een praktijkopleider hieraan bijdragen?
Er zijn situaties te bedenken, in vrijwel alle leerwerkplekken, waar de goede werksfeer en het welzijn van de leerling op de proef gesteld wordt. Dit kunnen piekmomenten zijn met een hoge werkdruk, wanneer collega’s met elkaar discussiëren, maar dit kan ook zijn wanneer een leerling meer bekwaam begint te worden en zich begint “te vervelen”.
Creëren van leermogelijkheden
Enkele tips om leermogelijkheden te creëren, waardoor het leren op de werkplek verder bevorderd kan worden:
• Bouw mogelijkheden (en tijd) in om te leren (reflectie) en zorg ervoor dat leerlingen verantwoordelijk zijn voor de eigen ontwikkeling. Zorg voor voldoende tijd en mogelijkheden voor het oefenen van de diverse vaardigheden
• Bewerkstellig een klimaat (rust en stabiliteit, maar ook creatieve ruimte) waar ruimte is voor onzekerheden en moeilijkheden, verdieping, verbetering en innovatie
• Hanteer groepsregels en stimuleer samenwerking
• Probeer systematisch het besef van wat geleerd is te ontwikkelen, waardoor de leerling zicht krijgt op de mate waarin hij competenter is geworden
• Luister naar elkaar (praktijkopleider(s) en leerling(en)), geef terugkoppeling op elkaars leren en verwijs naar eerder (wellicht door anderen) opgedane, goede ervaringen
• Stimuleer het uitproberen en experimenteren en bied mogelijkheden om het geleerde te integreren in het werk
• Kies en bied een begeleidingsaanpak die het beste in de leerling naar boven haalt, verlopend van aansturen naar loslaten, van confronteren naar zelf ontdekken
• Evalueer, beoordeel en beloon verbetering van vakbekwaamheid
• Als laatste: kies dus de juiste werkplekbegeleider(s) voor de leerling. Deze moet(en) immers samen met de leerling al het bovenstaande realiseren.
1.6. Leer- en werkplekfaciliteiten
Het ter beschikking stellen van voldoende (eigen) gereedschappen, apparatuur, informatiebronnen en andere technische hulpmiddelen kan informele leerprocessen op de werkplek faciliteren, ondersteunen en stimuleren. Afhankelijk van de opleiding en de bij het leerbedrijf uit te voeren werkzaamheden valt hierbij te denken aan bijvoorbeeld:
• Werkgereedschap;
• Apparatuur;
• Leerboeken;
• Vaktijdschriften;
• Documentatiemappen;
• Een bureau;
• Teken- en schrijfwaren;
• De beschikbaarheid van een PC met software;
• Internetaansluiting en telefoon;
• Bedrijfskleding/kledingregels.
Er zijn verschillen in opleidingen en dus ook in wat daadwerkelijk noodzakelijk is. Ook kunnen er spanningen optreden tussen wat wenselijk is voor de opleiding en wat binnen het leerbedrijf te realiseren is. Bijvoorbeeld: Een eigen werkplek voor de leerling. Sommige bedrijven hebben een eigen ruimte voor leerlingen. Sommige bedrijven richten een “leerlingenclub” op, bijvoorbeeld voor sociale activiteiten of ze promoten het onderlinge contact met leerlingen van collega-bedrijven.
Een voorbeeld van bouwbedrijf Hans Ulrik Jensen A/S in Denemarken
Dit bouwbedrijf met 100 werknemers heeft een nogal radicale oplossing gevonden: in 2006 kochten ze een gebouw uitsluitend als leerobject voor hun leerlingen! De jonge mensen zijn zelf verantwoordelijk voor zaken als ideeontwikkeling, planning, budget, werkvoorbereiding en verslaglegging. De leerlingen werken zelf daadwerkelijk aan het project en dit scheelt het bedrijf weer in productie-uren. Gedurende het project wordt de zelfstandigheid van de leerling, evenals het werken in teamverband gepromoot en alles bij elkaar is het nog leuk om te doen ook! Zowel het management als de projectleiders van het bedrijf ondersteunen de projectgroep actief. Voordat het project begint brengen zij gezamenlijk in beeld welke interne bedrijfstrainingen er nodig zijn, bijvoorbeeld een training in kwaliteitsbewaking. Op de lange termijn moet het project volledig selfsupporting zijn. Projectcoördinator, Erik Banner, vertelt dat het bedrijf hierdoor veel meer sollicitaties krijgt én dat de vakvolwassen medewerkers onder de indruk zijn van de nieuwe, competente leerlingen.
Bedrijfskleding / kledingregels
Kledingregels, of dress code, vertellen welke kleding de leerling wanneer moet dragen tijdens het werk en of het bedrijf hem kleding verstrekt. Bedrijfskleding kan verschillende functies hebben, zoals: veiligheid, handzaamheid, comfort en uitstraling.
Kleding dient ook als een herkenning voor klanten. Uw werknemers zijn herkenbaar en zien er professioneel en betrouwbaar uit. Vertel deze zaken aan de leerling en vertel hem ook hoe u verwacht dat hij met de bedrijfskleding omgaat. Veel leerlingen zijn er erg trots op wanneer ze eigen werkkleding hebben, vaak scheppen ze er zelfs mee op, op school of bij vrienden. Kleding is een belangrijk deel van de professionele identiteit. Ineens behoort de leerling tot de vakmensen.
De waarde van machines
Hoe waardevol gebruikte machines zijn varieert per beroep. In de transport en landbouw wordt gewerkt met grote machines die wel honderdduizenden euro’s waard kunnen zijn. In de ambachtelijke beroepen en in de bouw zijn er dure machines die klantspecifiek gebouwd zijn en die beschadigd kunnen raken bij onjuist gebruik.
De belangrijkste vraag voor de praktijkopleider is het bepalen wanneer de leerling de verantwoordelijkheid kan dragen om te werken met machines en/of gereedschappen. En dat is een lastige beslissing want de praktijkopleider moet rechtvaardigen dat hij de onervaren leerling zo’n grote verantwoordelijkheid geeft. Maar ja, aan de andere kant moet de leerling ook uitdaging krijgen en ervaring op doen!
Oefeningen voor de leerling
Om de leerling een voorzichtige start te geven om te leren werken met dure, kwetsbare of zeldzame gereedschappen hebben sommige bedrijven faciliteiten gerealiseerd waar de leerling kan oefenen onder beschermde omstandigheden. Enkele grote bedrijven hebben hun eigen opleidingscentrum of werkplaats. Hier maken de leerlingen producten voor intern gebruik of voor de verkoop. En dit onder voor een leerling prettige omstandigheden. In de kapperssector kunnen klanten hun haar laten doen voor “leerling prijzen”. En leerlingen kunnen ook vrienden meebrengen. In de logistieke sector zijn er speciale oefenterreinen, soms ook in een enorme hal. Wat doet u?
Kwaliteitsbewustzijn aangaande materialen
Train uw leerling als het gaat om kwaliteitsbewustzijn aangaande grondstoffen en materialen:
• Geef inzicht in inkoopprocedures
• Ga na of uw leerling echt kritisch is, door hem of haar verschillende kwaliteiten te laten zien en de leerling dan zelf te laten beslissen!
• Informeer de leerling over de kwaliteitsvoorschriften die in de sector gelden.
• Vraag de leerling naar zijn eigen begrip van normen en waarden als het gaat grondstoffen en ingrediënten.
Want, zoals we zo nu en dan wel uit het nieuws vernemen, kan een slechte materiaalkwaliteit de reputatie van een bedrijf of zelfs een hele beroepsgroep schade toebrengen. Dit is in het bijzonder het geval in de levensmiddelensector, maar ook als het gaat om speelgoed, machineonderdelen of textiel.
1.7. Veiligheid en milieu
Naast een optimaal ingerichte leerwerkomgeving zijn factoren als (wettelijke) randvoorwaarden en eisen op het gebied van veiligheid, gezondheid, ARBO en milieu van belang. Bovendien blijkt dat jongeren gevaren soms heel anders inschatten en daardoor meer risico lopen!
Bij een veilige werkplek is er in elk geval aandacht voor:
• Orde, netheid en een goede organisatie van de werkplek
• Het elkaar aanspreken op onveilige situaties
• De aanwezigheid van persoonlijke beschermingsmiddelen
• De aanwezigheid van een bedrijfshulpverlener of EHBO-er
• Het geven van een extra goede instructie bij riskante taken.
De instructie en begeleiding omvat ook:
• Het bespreken van de risico’s van het werk
• Het geven van veiligheidsinstructies
• Het houden van toezicht en het uitvoeren van controle
• Het altijd geven van het goede voorbeeld
• En bij een (bijna) ongeluk het onderzoeken van de oorzaak en het bespreken hiervan.
Veiligheid
Veiligheid betekent vooruit denken, alert zijn en het maken van correcte rapportages van incidenten. Om ongelukken te vermijden zowel aangaande personeel als machines en producten, zal iedereen goed op moeten letten. Natuurlijk moeten veiligheidsvoorschriften bij iedereen bekend zijn en duidelijk zichtbaar zijn voor een ieder op de werkplek. Maar let wel, om schade te voorkomen is het vooral van belang dat mensen werkprocessen in z’n geheel begrijpen en het risico kunnen overzien. Hoe meer mensen actief en oplettend zijn, des te groter is de kans dat ongelukken voorkomen en vermeden kunnen worden.
Een werknemer is niet alleen op de wereld. Er zijn meer mensen die deel uitmaken van het werkproces en gebruik zull en maken van de machines en het gereedschap, nadat een ander ermee gewerkt heeft.
Alert zijn betekent ook in staat zijn om schade aan jezelf of anderen te voorkomen. Daarom is het belangrijk om:
• Schade onmiddellijk te rapporteren
• Fouten onmiddellijk te rapporteren
• Leidinggevenden of externe organisaties onmiddellijk in te schakelen
Natuurlijk voelt het heel vervelend aan om schade te melden. Maar om verbetering veilig te stellen, moet de leerling al vanaf het begin leren om:
• De interne procedures voor foutrapportage en schademelding te volgen
• Om proactief aan de collega te denken
• Om vooruit te denken
Persoonlijke beschermingsmiddelen
Gelukkig kunnen veel ongelukken worden voorkomen of schade aanzienlijk beperkt worden door het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. Het is taak van de ARBO-verantwoordelijke om de juiste beschermingsmiddelen bij uw werplek/-situatie te vinden en deze te verstrekken. Bekijk voor meer informatie ook eens het internet. Bijvoorbeeld over regels aangaande het gebruik van technische hulpmiddelen, werkplek risico-inventarisatie, het werken met chemicaliën, enzovoorts. Een voorbeeld uit de overslag- en transportsector.
Een bedrijf benadrukt bij hun chauffeurs het belang van:
• Werkhandschoenen
• Veiligheidsschoenen
• Fluorescerende veiligheidsvestjes (gedurende het werk in de terminals en het rijden in het buitenland. En natuurlijk tijdens het rijden in de schemer en het donker, bij slecht zicht en bij ongelukken)
• Gezichtsmaskers en spoelvloeistof (bij het werken met stoffen zoals verf)
Op de werkplek zijn meer aspecten die invloed kunnen hebben op de gezondheid en veiligheid van medewerkers. Zorg ervoor dat u uw leerling over dit soort aspecten informeert voor zover ze voor uw bedrijf gelden. Over het algemeen is het zo dat werkgevers verantwoordelijk zijn voor de zorg voor een veilige en gezonde werksfeer en werkomstandigheden. Werkgevers en werknemers zijn beide verantwoordelijk voor het verbeteren van de werksfeer en de werkomstandigheden. Aspecten die hierbij naar voren komen zijn bijvoorbeeld:
1. Bepaalde werkomstandigheden zijn veiliger dan andere maar in elke omgeving zijn er risico’s, bijvoorbeeld het werken op ladders of het werken met een heftruck. Wees bewust van de risico’s in uw bedrijf en deel deze met uw leerling. Voor een leerling kan er een grens zijn aan het aantal werkuren en het werken in ploegen kan in een land of in een sector verboden zijn. Zorg dat u op de hoogte bent hoe het in uw land geregeld is.
2. Het werken met gevaarlijke stoffen (zoals ontbrandbare, explosieve en giftige materialen) mag uitsluitend plaatsvinden onder beschermde omstandigheden en met de nodige voorzorgsmaatregelen. Is het een leerling in uw bedrijf toegestaan met alle producten die worden gemaakt of gebruikt te werken?
3. Een grote fysieke belasting kan invloed hebben op de gezondheid. Zwaar tillen, lange tijden staan maar ook trillingen of straling kunnen werknemers ziek maken.
4. Van teveel geestelijke belasting worden mensen gek. Zorg er daarom voor dat de leerling niet te veel stress heeft en begeleidt de leerling bij het organiseren van zijn werkzaamheden en het omgaan met stressvolle situaties.
Met name dienstverleners in uniform zijn nog wel eens slachtoffer van geweld. Soms kunnen klanten en patiënten agressief reageren als ze het met bepaalde zaken oneens zijn. Wees u er van bewust dat de wet zegt dat leerlingen (gezien hun leeftijd) bepaalde dingen niet mogen doen. Denk zorgvuldig na over de aspecten die van invloed zijn op gezondheid en veiligheid binnen het bedrijf. En als het mogelijk is betrek hier dan een collega van de afdeling personeelszaken bij of iemand anders die binnen het bedrijf de verantwoordelijkheid heeft voor gezondheid en veiligheid.
Goederen
Een juiste hantering van goederen kan van levensbelang zijn. Een correcte opslag en bevestiging verlengt niet alleen het leven van bijvoorbeeld opslagrekken, maar voorkomt ook beschadiging of erger of ongelukken. Basisregels die in acht genomen dienen te worden, worden vaak ontdekt gedurende de opleiding. Maak heel expliciet duidelijk hoe de afspraken binnen uw bedrijf liggen:
• Hoe moet er omgegaan worden met de materialen die deel uitmaken van de werkplek van de leerling;
• Welke voorzorgsmaatregel dienen er genomen te worden;
• Geef aan hoe en of u nagaat of er correct met de goederen om gegaan wordt.
Onderhoud aan machines
Zorgvuldige inspectie en systematisch onderhoud is cruciaal voor veel machines en duur gereedschap. Hiervoor kan het bedrijf speciale onderhoudsprocedures hebben. Deze kunnen er bijvoorbeeld zo uitzien:
• Vastgestelde tijdstippen om het gereedschap te controleren;
• Vastgestelde tijdstippen om onderdelen te vervangen;
• Regelmatige inspectie;
• Regelmatige controles;
• Ingevulde en vastgelegde kwaliteitsrapporten;
• Procedures om schades te rapporteren;
• Procedures om schades te repareren;
• Ervaren collega’s kunnen een introductie geven aan nieuwe leerlingen.
Werknemers en leerlingen moeten regelmatig geïnformeerd worden aangaande (nieuwe) voorschriften op het gebied van onderhoud en veiligheidsmaatregelen.
De omgeving /het milieu
In uw werk kan het voorkomen dat u anderen blootstelt aan gevaren, zelfs ondanks het feit dat u dit probeert te vermijden. Dit kunnen klanten of leveranciers zijn die bij uw bedrijf op bezoek komen of het kunnen mensen zijn die u gewoonweg tegen komt vanwege uw werk. Uw werk wordt steeds “technischer” en effectiever. Daardoor kunnen er nieuwe risico’s ontstaan zijn, waar u eerder nog niet van wist.
Een voorbeeld is het verkeer dat explosief is toegenomen. Of de bouwsector waar het werk steeds sneller gedaan moet worden. Of de gezondheidssector waar zich voortdurend nieuwe medicijnen aandienen. Professionele organisaties proberen dit allemaal bij te houden en verrichten onderzoek, definiëren voorzorgsmaatregelen, maken veilige technologie, enzovoorts. U moet voorzorgsmaatregelen in acht nemen en deze aanleren aan uw leerlingen. Dit ontslaat u niet van de verantwoordelijkheid om ook zelf na te denken! Instrueer uw leerling op het gebied van:
• Aandacht
• Inschatten van risico’s
• Het doorgeven van kennis en ervaringen en het zelf aan preventie doen
Veiligheid voor klanten en leveranciers
De feitelijke regels voor het hebben van veiligheidsverantwoordelijken binnen het bedrijf verschillen van land tot land. Mogelijk is uw veiligheidsfunctionaris betrokken bij het opstellen van regelgeving en veiligheidsprocedures aangaande bezoekers of aangaande het bezoeken van andere bedrijven. Leg in elk geval de achtergrond uit aan de leerling en geef de leerling een lijst met regels. Beschrijf de persoonlijke beschermingsmiddelen die noodzakelijkerwijs verstrekt dienen te worden aan klanten en/of leveranciers. Geef aan of het bedrijf ruimtes heeft waar “geen toegang” geldt.
Veiligheid voor de omgeving
Mensen die worden blootgesteld en misschien zelfs wel in gevaar gebracht worden door uw werk hebben hier vaak zelf geen invloed op. Wanneer u bijvoorbeeld werk verricht in het openbaar, als u als vertegenwoordiger of verkoper op bezoek komt bij een klant of wanneer u als vrachtwagenchauffeur gevaarlijke stoffen over de snelweg vervoert. Alle beroepsgroepen proberen ongemakken en gevaar voor anderen te vermijden, bij voorbeeld door:
• Verantwoord gedrag in het verkeer
• Afdoende afvalbeleid
• Correcte inkoop van grondstoffen en andere benodigdheden
• Veiligheid gaat voor snelheid
• De juiste gereedschappen
Waarschijnlijk heeft uw sector ook wel ethische regels. En misschien zijn er wel samenwerkingsverbanden waar u bepaalde informatie of hulp kunt krijgen.
Veel voorkomende risico’s
Er zijn risico’s die op alle werkplekken voorkomen. Ervaren en competente werknemers vermijden deze risico’s instinctief. Zij denken er zelfs niet aan om deze apart te benoemen. Wanneer mensen iets nieuws leren is het moeilijk om een onderscheid te maken tussen wat belangrijk en wat minder belangrijk is. Een van de allerbelangrijkste dingen is om te letten op de klassieke risico’s. Er zijn al veel oplossingen aangedragen voor deze klassieke gevaren: persoonlijke beschermingsmiddelen, speciale veiligheidsapparatuur, signaleringslampen, waarschuwingsborden, enzovoorts. Maar een erg belangrijke veiligheidsmaatregel is nog steeds vooruitdenken, alert en goed voorbereid zijn.
1.8. Werkomstandigheden
Elke werkplek heeft z’n eigen specifieke werkomstandigheden die de werknemer onder druk kunnen zetten en die kunnen leiden tot een ongeval. Denk hierbij aan:
• Een hoge tijdsdruk;
• Weersomstandigheden;
• Wisselende diensten, nachtdiensten;
• Contact met chemicaliën (of andere gevaarlijke stoffen);
• Een hoge mate van concentratie die continu noodzakelijk is;
• Statische werkhouding.
Wat zijn de meest veeleisende werkomstandigheden in uw bedrijf? De leerling heeft op school waarschijnlijk wel geleerd over de omstandigheden in de sector, maar waarschijnlijk weet hij of zij niet hoe het “echte leven” eruit ziet. Maak de leerling de werkvoorwaarden goed duidelijk en vertel hem of hoe er mee om te gaan.
Omgaan met de druk van alle dag en met stress
Veel mensen hebben de ervaring dat de dingen tegenwoordig sneller en sneller lijken te gaan. Ook daarom moet de leerling leren om te gaan met:
De alledaagse werkdruk zal door een leerling, zeker in het begin, harder gevoeld worden dan door een ervaren werknemer. Alles is nog nieuw en de leerling heeft nog niet het gevoel voor alles wat er gedaan moet worden. Hij moet daar constant over nadenken en wordt daarom ook eerder vermoeid. Geef de leerling de tijd en laat de werkdruk langzaam toenemen.
Stress kan zowel positief als negatief zijn. Positieve stress geeft een adrenaline kick. Negatieve stress, zeker gedurende langere periodes, draagt bij aan het gevoel dat de leerling niet in staat is om aan de verwachtingen te voldoen. In verschillende sectoren is stress de grootste oorzaak van schade en ongelukken.
Leer daarom als praktijkopleider om:
Ergonomie
“Zorg goed voor je lichaam”. De leerling moet nog jaren mee kunnen gaan in de sector. Net als andere werknemers loopt een leerling het risico om werkgerelateerde “ziektes” op te lopen. Dit zijn ziektes die ontstaan zijn na een lange periode onder invloed van het werk (bijv. werkdruk) of door de omstandigheden waaronder het werk gedaan moet worden. De praktijkopleider moet de leerling bewust maken van:
De verantwoordelijkheid van de praktijkopleider
Ga na of de leerling iets op school geleerd heeft over ergonomie. Uw bedrijf kan hem een cursus aanbieden over ergonomie en/of persoonlijke beschermingsmiddelen. Andere werknemers moeten wellicht ook hun kennis op dit vlak opfrissen. Het is niet voldoende om slechts met de leerling te praten over ergonomie. Laat ook de juiste werkhouding aan de leerling zien, observeer de leerling en corrigeer hem wanneer dit nodig is! En ga na een tijdje na hoe hij het doet.
Gezondheid en voeding
Iedereen weet dat slechte voeding, roken en een gebrek aan beweging een gevaar zijn voor de gezondheid. En waarschijnlijk zijn velen het er mee eens dat er verbeteringen mogelijk zijn op de werkplek. Het is algemeen bekend dat gezonde en bewuste voeding bijdragen aan efficiënt en nauwkeurig werken. Soms is het het gemakkelijkst en snelst om wat te snacken. Voorlichting kan helpen om een verkeerde “voedsel-cultuur” in uw sector te veranderen. Wellicht dat uw vakbond, Kamer van koophandel of de school cursussen of begeleiding biedt om een gezonder eetpatroon te promoten.
Een opmerking van een transportondernemer uit Denemarken:
De meeste chauffeurs roken en eten ongezond. Dat hoort bij de cultuur in de sector en je hoort niemand klagen. Want je bemoeit je nu eenmaal niet met iemand anders zaken. Maar het zou juist goed zijn om erover te spreken, want veel te veel chauffeurs hebben last van overgewicht. Ze roken, zitten veel, bewegen weinig en eten ongezond. De Deense transportbond 3F heeft hierop, samen met werkgevers uit deze sector en met ondersteuning vanuit het transportonderwijs, een klein kookboekje uitgebracht voor chauffeurs met tips over “koken op de parkeerplaats”.
Work-life-balance
De nieuwe leerling moet nog jaren meegaan in de sector. Dit vereist meer dan beroepsmatige vaardigheden, een goed salaris en veiligheid. Het is ook van belang dat de leerling een goed sociaal leven heeft, zowel op het werk als daarbuiten. Een goed sociaal leven geeft persoonlijke tevredenheid en geluk. ‘Work-life-balance’ is meer dan een vage uitdrukking. Het is iets dat we zelf tot stand kunnen brengen en dat we moeten onderhouden. En het is iets dat de praktijkopleider kan inbrengen in de opleiding, ondermeer door:
• De toon die hij gebruikt wanneer hij spreekt met collega’s, klanten en leveranciers
• Attent gedrag te vertonen naar de ander
• Te laten zien hoe de pauzes gebruikt kunnen worden
• Te laten zien hoe werk en privé op een goede manier samen kunnen gaan
De regels voor gezondheidsverzekering en sociale zekerheid variëren van land tot land, evenals het recht en de regels aangaande pensionering. Dit is waarschijnlijk ook een thema in uw bedrijf. Het is nooit te vroeg om dit ook eens met een leerling te bespreken.
Een voorbeeld van Frode-Laursen A/S, transportondernemer 'Bingo' in Denemarken:
Tot op zekere hoogte kunnen chauffeurs zelf beslissen welke dienst ze willen draaien. Want niet iedereen kan goed omgaan met het werken in de nachtploeg. Sommige vinden dat juist het prettigst. Anderen moeten hun beroep combineren met een leven waar jonge kinderen deel van uitmaken. Een goede manier om mensen vast te houden is ervoor te zorgen dat iedereen tevreden is met wat hij of zij doet!
Hygiëne
In sommige sectoren speelt hygiëne een doorslaggevende rol. Denk bijvoorbeeld aan de voedselverwerkende industrie, de hulpverlening en de zorgsector maar ook in de productie van medicijnen en elektronica. Zelfs wanneer u, als werknemer, geen direct contact heeft met het product of met de personen die er wel direct mee te maken hebben, dan kan het nog steeds zo zijn dat er bepaalde hygiëneregels in acht genomen moeten worden. Dit kan het geval zijn binnen uw bedrijf, maar net zo goed bij uw klanten of toeleveranciers.
Wellicht dient u een speciaal haarnetje te dragen, speciale schoenen, moet u regelmatig uw handen wassen, speciale handschoenen aan of bepaalde procedures in de gaten houden.
• Leg dit uit aan de leerling;
• Observeer de leerling;
• Corrigeer de leerling wanneer nodig;
• Ga het na een bepaalde periode allemaal nog eens na.
2.1. Collegialiteit
Sommige taken zijn individuele taken. Andere taken kunnen nu eenmaal niet slechts door één persoon uitgevoerd worden; dan is er een team nodig. Maar bij bijna alle werkzaamheden heb je wel te maken met collega’s of medewerkers. Zij doen voorbereidend, ondersteund werk of nazorg aangaande hetgeen de leerling in het werkproces doet. Hebt u de werkstromen binnen uw bedrijf al eens uitgelegd aan uw leerling? Hebt u alle contactpersonen en hun functie al eens benoemd? Hebt u al eens aangegeven welke contacten van groot belang zijn voor de leerling?
Contact met collega’s
Om een goede relatie met collega’s op te kunnen bouwen zodat er goed met zakelijke kwesties omgegaan kan worden, moet de leerling hen eerst leren kennen en begrijpen wat hun functie is. Wie zijn collega’s en wat zijn hun verantwoordelijkheden en taken? Er zijn een aantal aspecten die een goede relatie tussen de leerling en zijn of haar collega bevorderen. Denk hierbij aan:
• De mate waarin de leerling hulp ontvangt van de collega’s;
• Mogelijkheden om daadwerkelijk van collega’s te kunnen leren (hoe toegankelijk en hulpvaardig zijn de collega’s? Wordt het gewaardeerd wanneer een leerling vragen stelt?);
• De leerling werkt regelmatig in een team;
• De leerling werkt regelmatig met professionals;
• De leerling rouleert ook over andere afdelingen;
• De leerling gaat mee voor werkzaamheden buiten de deur;
• De leerling komt in contact met medewerkers van andere afdelingen;
• Collega's bespreken vaktechnische problemen waarmee ze te maken krijgen met de leerling;
• De leerling en zijn opleiding krijgen aandacht tijdens overleg momenten;
• Collega's voelen zich mede verantwoordelijk voor het opleiden;
• Collega's houden er rekening mee dat de leerling in opleiding is.
De collega als opleider
Voor de leerling is het belangrijk dat collega’s zich ook opstellen als mede-praktijkopleider / -werkplekbegeleider en -boordelaar. Dit omvat ook de overdracht van kennis en vaardigheden en het beoordelen van gedrag en houding. Collega’s worden zo reflector, begeleider en feedbackgever.
Goede collegialiteit kan in de dagelijkse praktijk worden gestimuleerd door bijvoorbeeld:
• Aandacht besteden aan specifieke interesses;
• Aandacht geven aan wat van de ander is geleerd / geleerd kan worden;
• Aandacht geven bij ziekte / verlies / feestelijkheden / promotie (privé- of werksituatie);
• Aankijken (maak oogcontact) / observeer / luister echt;
• Maak eens een compliment over hoe iemand er uit ziet of over de houding;
• Deel ervaringen met elkaar;
• Geef je mening ook als het om moeilijke dingen gaat;
• Vraag eens aan de leerling hoe hij denkt dat iets aangepakt of opgelost kan worden;
• Leg verbanden tussen ervaringen en grappige gebeurtenissen;
• Geef kwalitatieve, hoogwaardige, bruikbare feedback;
• Een onderscheid te maken tussen hoofd- en bijzaken;
• Neem het initiatief om samen te werken;
• Bied eens koffie of thee aan;
• Stel kritische, opbouwende vragen;
• Gebruik humor om terug te kijken op eigen of andermans ervaringen;
• Controleer op zaken die een relatie hebben met gezondheid en wel bevinden;
• Maak ook eens kennis met elkaars familie;
• Zorg voor ontspannen sociale contacten tijdens de pauzes;
• Spreek je waardering uit voor de bijdrage van de leerling in het team.
Kortom: neem de leerling serieus en zie hem als een volwaardige collega. In een goede leeromgeving moet er goed teamwerk zijn. Dit is een waardevolle basis om te leren.
2.2 Teamwork
Houding aangaande teamwerk
Als de leerling een professionele houding moet ontwikkelen aangaande het werken in een team, dan zult u eerst de waarden van het bedrijf uit moeten leggen. Dit betekent dat u de houding tussen collega’s en afdelingen ten aanzien van teamwerk zult moeten bespreken:
• Hoe helpen wij elkaar hier in het dagelijks werk?
• Hoe helpen we elkaar hier wanneer er problemen zijn? (Dit kunnen beroepsmatige problemen zijn, maar het kunnen ook persoonlijke problemen zijn die opgelost moeten worden of waarin steun nodig is.);
• Vraag eens aan de leerling wat hij voor beeld heeft bij goed teamwerk en hoe hij daar aan denkt bij te dragen.
Het bevorderen van teamwork is een uitstekende manier om de effectiviteit van uw bedrijf te doen toenemen. Hier zijn een paar tips om teamwork te bevorderen:
• Reik praktijkopleiders en leerlingen doelen aan die zowel haalbaar als uitdagend zijn;
• Stel deze doelen vast in goed overleg met hen;
• Vertel medewerkers wat je van hen verwacht als het gaat om teamwork;
• Houd iedereen op de hoogte van beslissingen, gebeurtenissen of plannen die op hen van invloed zijn;
• Delegeer zoveel mogelijk, zodat iedereen verantwoordelijkheid heeft en kennis opbouwt;
• Geef werknemers de grootst mogelijke vrijheid binnen hun verantwoordelijkheden. Laat ze hun eigen werkmethoden bepalen, werktempo en de stappen die genomen moeten worden, terwijl er tegelijkertijd op gelet wordt dat iedereen weet wie verantwoordelijk is voor het behalen van de vastgestelde doelen of niveaus;
• Breng een duidelijke koppeling aan tussen inspanning en beloning;
• Moedig het team aan om te werken volgens planning, na te denken over innovaties of reik hen ideeën aan om de teamprestaties te verbeteren;
• Moedig het team aan om bij te dragen aan het leerproces van de leerling en hem te behandelen als een volwaardig teamlid;
• Maak de medewerkers duidelijk dat ze verantwoordelijk zijn voor hun eigen succes maar ook voor hun falen;
• Laat zien dat je het waardeert dat de medewerkers een goed team vormen;
• Wanneer mensen geen positieve respons krijgen op hun manier van samenwerken, zal het werken in een team voor hen geen toegevoegde waarde hebben.
De kracht van een samenwerkend team zit hem in de eenheid, communicatie en collegialiteit. Elk teamlid heeft zijn eigen rol binnen het team en draagt bij aan het unieke karakter. Een team waarin iedereen zichzelf kan zijn en tegelijkertijd bijdraagt aan een gemeenschappelijk doel is op zijn sterkst (1+1=3).
Problemen bij het werken als team en hoe deze te voorkomen
Mensen verschillen en hebben verschillende meningen over hoe een taak aangepakt moet worden, hoe je ten opzichte van elkaar dient te gedragen of hoe een nieuw project opgestart moet worden. Wanneer je samenwerkt dan komt er een moment waarop je het met elkaar oneens bent of er zelfs sprake is van een conflict. Een ieder heeft de verantwoordelijkheid om escalaties en het zich verder ontwikkelen van conflicten te voorkomen. Wat kun je als praktijkopleider doen om onenigheid te voorkomen en/of op te lossen? En wat kan de leerling doen?
Een voorbeeld uit Denemarken van het overslagbedrijf Frode Larsen A/S.
De manager van de terminal, Jan, die tevens verantwoordelijk is voor de leerlingen die in het magazijn werken, probeert opkomende conflicten op te sporen nog voordat het escaleert. “Het is een teken aan de wand wanneer mensen in hoekjes op een bepaalde manier met elkaar staan te praten”. Op zo’n moment stelt Jan een extra vergadering in waarbij hij e.e.a. bespreekbaar maakt, omdat “je zaken aan moet pakken, voordat er “scheefgroei” ontstaat”. Deze vergaderingen zijn er op gericht om na te gaan waar mensen ontevreden over zijn. Samen wordt geprobeerd om tot een oplossing te komen. Iedereen is immers verantwoordelijk!
Multi-disciplinair teamwork
De meesten van ons zijn opgeleid aangaand een specifiek beroep. Voor zo’n beroep gelden strenge, vast omlijnde kaders. Maar tegenwoordig verwachten klanten meer flexibiliteit en een snellere service. Er is een tendens dat de afbakening tussen beroepen meer en meer vervaagt. Het onderscheid tussen banen en zelfs sectoren wordt steeds minder helder. Dit betekent dus dat we zelf steeds meer ook in andere beroepsgebieden terecht komen, maar ook dat anderen in het onze terecht komen. Sommige bedrijven organiseren daadwerkelijk het multi-disciplinaire teamwork:
• Collega’s van andere afdelingen fungeren als adviseur;
• In-company training vindt afdelingsoverstijgend plaats;
• Multidisciplinaire teams werken aan grote opdrachten;
• Leerlingen “bezoeken” ook andere afdelingen/bedrijfsonderdelen om tot beter begrip te komen.
Hoe dit fenomeen opgenomen kan worden in het feitelijke onderwijs is een complex onderwerp, dat besproken wordt door ministeries, kenniscentra, etc.
3.1. Motivatie
Ieder mens moet gemotiveerd worden. Is het niet vanuit zichzelf dan wel door andere personen of dingen. Zo is het ook bij leerlingen in uw organisatie. De ene leerling heeft meer prikkels van buitenaf nodig dan de andere. De motivatie van de leerling kan positief worden beïnvloed. Wanneer u maatregelen neemt, die de kwaliteit en de inhoud van de werkzaamheden betreffen, kan dat voor de leerling een stimulans zijn om betere prestaties te leveren.
Uit onderzoek is gebleken dat veel BPV-plaatsen in orde zijn wat betreft de randvoorwaarden (zoals afwisselend werk en leermogelijkheden), maar dat goed coachen en aandacht geven aan reflectie regelmatig ontbreken. Het contact tussen leerling en praktijkopleider gaat vaak alleen over procedures en taken. Dat geldt overigens ook voor het contact tussen leerling en docent. Er is te weinig aandacht voor het bespreken van de ervaringen van de leerling in het bedrijf en voor het laten ontstaan van leervragen bij de leerling.
Waaraan kunt u denken voor het motiveren van uw leerlingen:
• Afwisseling in het werk;
o Teveel hetzelfde werk achter elkaar doen, kan snel gaan vervelen. Varieer het werk voor de leerling.
• Uitdaging;
o Daag de leerling uit met opdrachten die bij zijn belevingswereld aansluiten.
• Vertrouwen en zelfstandigheid;
o Laat de leerling vertrouwen in zijn eigen kunnen ontwikkelen door hem in passend tempo moeilijkere taken te laten doen of zelfstandiger te laten werken. Schenk hem het vertrouwen en de zelfstandigheid die bij zijn ontwikkeling past.
• Goede beloning;
o Een goed en snel uitgevoerde opdracht mag best beloond worden. Een traktatie op zin tijd werkt motiverend. Maar ook aandacht door bijvoorbeeld een schouderklopje draagt bij.
• Duidelijkheid instructies;
o Plan uw instructiemomenten zorgvuldig. Laat ze niet door werkdruk vervallen of geminimaliseerd worden. Zorg dat de leerling de aandacht en tijd krijgt die hij nodig heeft.
• Veiligheid en zekerheid;
o De leerling moet vertrouwen hebben in de leer- en werksituatie waar hij zich bevindt. De praktijkopleider kan hiertoe bijdragen door de leerling duidelijk te vertellen waar hij aan toe is. Hij moet niet in de watten gelegd worden, maar u moet er wel rekening mee houden dat hij nog veel moet leren. Wees vooral eerlijk!
• Sociale werkomgeving en goede werksfeer;
o Behandel de leerling niet als werkrobot, maar als mens. Toon interesse in de persoon en leef u in in de situatie van de leerling, zowel als het gaat om het werk als om de privésituatie. Houd in de gaten of de leerling in de groep past en door de collega’s wordt opgenomen in de groep.
3.2. Demotivatie
Anderzijds zijn er factoren die demotiverend werken. Deze hangen meestal samen met de arbeidsvoorwaarden of arbeidsomgeving. De leerlingen vinden het vanzelfsprekend dat dergelijke (basis)voorwaarden goed geregeld zijn in uw bedrijf. Maar als aan deze voorwaarden niet voldaan wordt, kan men ontevreden worden.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan:
• Een duidelijke organisatiestructuur;
• Duidelijkheid over wie de leidinggevende is (praktijkopleider/ werkplekbegeleider);
• Duidelijkheid in de werkgelegenheid;
• Een werkplekbegeleider die niet te directief is en alleen maar taken uitdeelt;
• Duidelijkheid over het te volgen beleid;
• Duidelijkheid over de koers die er gevaren wordt;
• Goed overleg;
• Goeder communicatie binnen de vestiging en afdeling;
• Collegiaal gedrag van de collega’s.
3.3. Hoe kunt u motiveren en stimuleren?
Natuurlijk spelen niet alle bovenstaande factoren niet even sterk bij al de leerlingen. De ene persoon vindt het prettig om een bepaald, vast takenpakket te hebben, terwijl een ander persoon juist wel de afwisseling zoekt. Het volgende kunt u gebruiken om leerlingen gemotiveerd te houden.
Motiveren vanuit uzelf:
• Laat zien dat u vertrouwen in de leerlingen hebt;
• Laat zien dat u de leerlingen niet ziet als minderen, maar maak het leerproces tot een gezamenlijke klus;
• Laat zien dat leerlingen iets aan u hebben; dat u aandacht voor ze hebt;
• Wees betrokken bij uw leerlingen. Ook door bijvoorbeeld te vragen naar hobby’s;
• Hanteer duidelijke regels en overtreed ze zelf ook niet;
• Kom afspraken na;
• Wees consequent in het belonen van leerlingen.
Motiveren vanuit het werk:
• Geef uitdagende taken;
• Betrek uw leerlingen bij beslissingen;
• Stimuleer het meedenken van leerlingen;
• Laat leerlingen werk doen waar ze goed in zijn;
• Laat leerlingen werk doen waar ze plezier in hebben.
Motiveren vanuit extra’s:
• Deel bijvoorbeeld kerstpakketten uit;
• Geef leerlingen in de pauze bij topdrukte iets lekkers;
• Zorg bij verjaardagen en jubilea voor een presentje;
• Ga na werktijd iets leuks doen met zijn allen;
• Laat mensen een cursus of opleiding volgen. Ook voor leerlingen, die zelf bezig zijn, is dit een positief signaal.
Waardering hoeft niet altijd in geld te worden uitgedrukt. Met oprechte belangstelling voor de ideeën van de leerlingen en wat extra aandacht of een schouderklopje op zijn tijd bereikt u vaak veel meer.
Algemeen gezegd: motiveren is het aanreiken van redenen tot presteren!
3.4. Hoe herkent u een gedemotiveerde leerling?
• Vaak ziek;
• Vaak te laat;
• Ongeoorloofd afwezig;
• (Veel) strubbelingen met collega’s;
• Slordig in zijn werk;
• Slechte kwaliteit van zijn werkopdrachten.
De werkplekbegeleider zit dichter op de leerling en zal zaken als slordig werk eerder waarnemen dan u. Zorg dat u goed contact hebt met de werkplekbegeleider.
3.5. Wat wel en niet te doen met een ongemotiveerde werkhouding
|
Doen |
Niet doen |
|
De leerling vragen wat er aan de hand is, waarom hij niet gemotiveerd is
|
De leerling negeren |
|
Duidelijk uitleggen wat de werkwijze en de regels zijn
|
Nalaten uit te leggen waarom bepaalde dingen moeten gebeuren en niet anders kunnen |
|
Begrip tonen en zo mogelijk toegeven aan de verlangens
|
Alleen maar negatieve opmerkingen maken |
|
Positief benaderen als een leerling zijn ongenoegen uit
|
De negatieve houding naar voren brengen en zeggen dat het zo dus niet moet. |
|
Samen met de leerling naar oplossingen zoeken van een probleem |
Zonder de leerling erbij te betrekken een oplossing voor het probleem proberen te creëren |
|
Bewust zijn van eigen-(n)aardigheden en afvragen welke rol deze kunnen spelen in deze situatie en of u er al alles aan gedaan hebt |
De leerling als énige veroorzaker van het probleem beschouwen. |
Als kennis- en adviescentrum voor technisch vakmanschap richt Kenteq zich op 140 beroepen in de techniek. Elke vakman en leerling op mbo-niveau helpen wij om zichzelf te ontwikkelen op elk moment in zijn loopbaan. Daarvoor bieden we producten en diensten die waarde toevoegen aan het vakmanschap in Nederland.
Ik heb een vraag
Bel mij terug
Postbus 81, 1200 AB Hilversum
Olympia 6-8, 1213 NP Hilversum
T 088 - 444 99 00
F 035 - 750 45 46
E serviceteam@kenteq.nl